Stof rond sterren nader bekeken |
||
|
Onderzoek met twee ruimtetelescopen en enkele grote telescopen op aarde heeft nieuwe informatie opgeleverd over de stofrijke schijven die veel sterren omringen. Daarbij is onder meer vastgesteld dat zulke schijven ook bestaan rond sterren waarbij al planeten zijn gevormd. En uit spectroscopisch onderzoek aan de stofschijven van jonge sterren blijkt dat het binnenste gedeelte ervan rijk is aan kristallijne silicaten (‘zand’). Dat zou kunnen betekenen dat het ontstaan van vaste planeten in de buurt van een ster, zoals Mercurius, Venus, de aarde en Mars bij de zon, een veelvoorkomend verschijnsel is. Dat op z’n minst sommige sterren omgeven zijn door een ring of schijf van stof weten we al sinds 1983. In dat jaar ontdekte de InfraRood Astronomische Satelliet (IRAS) dat de sterren Wega en Bèta Pictoris meer infrarode straling uitzenden dan gebruikelijk is voor sterren van hun type. Dat duidde erop dat deze sterren zich in een stofrijke omgeving bevinden mogelijk in het middelpunt van een min of meer platte schijf. Een jaar later werd bij Bèta Pictoris in zichtbaar licht inderdaad een stofschijf waargenomen; de opname, die de schijf in zijaanzicht toont, is sindsdien vele malen gepubliceerd. Restmaterie
|
||
Botsingen in de schijven rondom Wega en Bèta PictorisOnderzoek met de Spitzer-ruimtetelescoop duidt erop dat de stofschijf rond de nabije ster Wega voor een belangrijk deel uit fijne stofdeeltjes bestaat, die vrij snel van de ster weg ‘waaien’. Dat duidt erop dat er bij Wega vrij kort geleden nieuw stof moet zijn geproduceerd, waarschijnlijk bij botsingen tussen planetesimalen op enkele tientallen astronomische eenheden van de ster. Ook in de schijf van Bèta Pictoris is zulk ‘vers’ stof waargenomen.
Tweemaal de ster Wega, in het infrarood gefotografeerd met de Spitzer-ruimtetelescoop: links bij een golflengte van 24 µm, rechts bij 70 µm. Beide opnamen laten een grote, ronde en gelijkmatige stofschijf zien. Door de oppervlaktehelderheden van de schijf bij verschillende golflengten met elkaar te vergelijken, kunnen temperatuurverloop en stofverdeling binnen de schijf worden gemeten. De meeste stofdeeltjes rond Wega zijn zo klein dat ze binnen 1000 jaar door de straling van de ster de ruimte in worden geblazen. (Foto’s: NASA/JPL-Caltech/K. Su (University of Arizona))
Met de zuidelijke 8-m Gemini-telescoop in Chili is onlangs een verdichting ontdekt in de stofschijf rond de ster Bèta Pictoris. De verdichting, die zich op 52 AE van de ster bevindt, is waarschijnlijk ontstaan na een botsing tussen planetesimalen. (Foto: Gemini Observatory) |

Artist’s impression van de stofschijf rond de ster Bèta Pictoris. Deze schijf is geen overblijfsel van een protoplanetaire schijf, maar wordt steeds aangevuld met stof dat vrijkomt bij botsingen tussen planetesimalen en/of bij de verdamping van kometen. Onderzoek met de Japanse Subaru-telescoop op Hawaï heeft uitgewezen dat de dichtheid van het stof het grootst is op 6, 16 en 30 astronomische eenheden van de ster. Aangenomen wordt dat zich op deze afstanden gordels van planetesimalen bevinden. (Illustratie: Kouji Kanba)
Kuipergordel veel omvangrijker?De stofringen rond andere sterren worden vaak vergeleken met de gordel van stof en puin die ons zonnestelsel omringt: de Kuipergordel. Vaak gingen zulke vergelijkingen echter mank, omdat de Kuipergordel, die even buiten de baan van de planeet Neptunus begint, al op ongeveer vijftig astronomische eenheden van de zon leek te eindigen. De stofschijven bij andere sterren strekken zich tot op honderden astronomische eenheden uit. |

De welhaast klassieke opname van de ring rond de ster Bèta Pictoris, die in 1984 door Richard Terrile en Bradford Smith is gemaakt. Om de stofschijf zichtbaar te laten zijn, werd het licht van de ster zelf afgeschermd.

De meest gedetailleerde opname die tot nog toe van een stofschijf rond een ster gemaakt is. Het betreft de jonge, zonachtige ster HD 107147, die zich op een afstand van 88 lichtjaar bevindt. De linker helft van de schijf lijkt iets donkerder dan de rechter: dat verschil wordt veroorzaakt doordat de stofdeeltjes die tussen de aarde en de ster in zitten meer licht in onze richting verstrooien. (De lichte kant van de schijf is dus enigszins naar ons toe gekanteld.) De kleuren op deze Hubble-foto zijn niet echt, maar het licht van de schijf is inderdaad iets roder dan dat van de ster. Daaruit kan men afleiden dat de aanwezige stofdeeltjes ongeveer 1/2000ste mm groot zijn. (Foto: NASA, ESA, D.R. Ardila (JHU), D.A. Golimowski (JHU), J.E. Krist (STScI/JPL), M. Clampin (NASA/GSFC), J.P. Williams (UH/IfA), J.P. Blakeslee (JHU), H.C. Ford (JHU), G.F. Hartig (STScI), G.D. Illingworth (UCO-Lick) en het ACS Science Team)

Zes infraroodopnamen van oudere sterren met planetenstelsels. De gele, wazige vlekken zijn sterren die met stofschijven omgeven zijn. Het stof in deze schijven wordt een beetje opgewarmd door de centrale ster en zendt daardoor infraroodstraling uit. De sterren zelf zijn qua leeftijd en temperatuur vergelijkbaar met onze zon. Hoewel niet te zien op deze opnamen, zijn de centrale delen van de schijven van deze sterren vrijwel stofvrij. Dat laatste blijkt uit de vorm van de spectra van deze sterren zie verderop. (Foto’s: NASA/JPL-Caltech/C. Beichman)

Links: Hubble-opname van de proto-planetaire schijf rond de jonge ster HD163296 (Foto: C. Grady, Astrophysical Journal). De jonge ster en het binnenste deel van de schijf zijn afgedekt om de zwakke emissie van de buitenste delen van de schijf zichtbaar te maken. Met het MIDI-instrument van de Very Large Telescope Interferometer kunnen de binnendelen van de schijf wel bestudeerd worden. Rechts: model van dit binnenste deel van de schijf. De samenstelling van de stofkorrels in de schijf wordt afgeleid uit de vorm van de pieken in de spectra (onder). De metingen tonen aan dat de stofkorrels vlakbij de ster groter zijn en veel meer kristallen bevatten dan de stofkorrels verder van de ster. (Illustratie: NOVA)

Deze grafiek geeft een overzicht van de tellingen van stofschijven bij sterren van verschillende leeftijden, zoals deze zijn verricht met de Spitzer-ruimtetetelescoop. Hoe hoger de positie van de schijf in het diagram, des te groter en helderder is deze. Langs de horizontale as staan de geschatte leeftijden van de sterren in kwestie. Uit de gegevens blijkt dat jonge sterren weliswaar de meeste en grootste stofschijven hebben, maar dat er ook veel jonge sterren zonder (waarneembare) stofschijf zijn. Bovendien blijkt de stofproductie in deze schijven veel langer aan te houden dan men tot nog toe dacht. (Foto: NASA/JPL-Caltech/G. Rieke (Univ. of Arizona))

De centrale opening in een stofschijf is lang niet altijd direct waarneembaar. Sterker nog: soms is de schijf zelf niet eens te zien. Toch kan zo’n schijf ontdekt worden: aan de hand van het (infrarood)spectrum van de ster in kwestie. De bovenste illustratie laat rechts een stukje van het spectrum van een ster zonder stofschijf zien: het meeste licht is afkomstig van de kortere golflengten. Dat is licht dat door het hete oppervlak van de ster zelf is uitgezonden. Bij langere golflengten zendt de ster bijna geen licht uit. De middelste illustratie toont een ster die middenin een ononderbroken schijf van stof en gas staat. Het materiaal in deze schijf is koeler dan de ster zelf en geeft (dus) een extra bijdrage in het infrarood. Dit ‘infrarood-exces’ verraadt het bestaan van de stofschijf. Het onderste diagram laat zien hoe het spectrum van een ster in dit geval CoKu Tau 4 eruit ziet als het binnenste gedeelte van de stofschijf leeg is. Ten opzichte van de vorige situatie ontbreekt dan het warmste stof, waardoor de helderheid in het nabij-infrarood lager is dan bij een ‘dichte’ stofschijf. (Illustratie: NASA/JPL-Caltech/D. Watson (University of Rochester))
![]()